alles over Kroatie naar desktop-versie Vakantiehuis Maroflin

KroatiŽ in het tweede JoegoslaviŽ

(deel 1) (deel 2)

KroatiŽ werd deel van het Federale Democratische JoegoslaviŽ in 1945. Deze Federale staat werd geregeerd door Tito's Communistische partij. Tito, zelf een Kroaat, regeerde met een voorzichtige geforceerde politiek, om de nationalistische ambities van ServiŽrs en Kroaten in goede banen te leiden. Kroaten werden echter wederom een minderheid in deze federale staat. Maar de grondwet van 1963 liet niet meer toe dat ServiŽrs alle macht hadden in het land. Diezelfde grondwet veranderde de naam van het land ook in de SRFY Socialist Federal Republik of Yougoslavia.
Kroaten participeerden aan de macht tot in de hoogste regionen : vijf van de negen Eerste Ministers van SFRY waren Kroaten. Maar misschien belangrijker : ServiŽrs domineerden steeds de Geheime Diensten en het leger. Bijna alle generaals waren ServiŽrs of Montenegrijnen.

De Kroatische Lente
Bewegingen na 1965 leidden in 1970-1971 tot de Croatian Spring (de Kroatische Lente), toen studenten in Zagreb betoogden voor meer burgerrechten en voor een grotere autonomie van KroatiŽ. Het regime smoorde het protest en sloot de leiders op. Vele belangrijke Kroatische parlementsleden steunden deze protestbeweging in stilte. Daardoor kwam er een nieuwe grondwet in 1974, die meer rechten gaf aan de deelrepublieken.

Na Tito's dood in 1980, zorgden economische en politieke problemen ervoor dat de federale regering begon af te brokkelen. De economie was nochthans vrij goed in de jaren 80, en KroatiŽ was op SloveniŽ na de rijkste republiek van de zes republieken van Joegoslavie. Echter door het einde van de Koude Oorlog en nog enkele andere factoren werd de inflatie vrij hoog. De laatste Eerste Minister (Ante markovic - Kroaat) werkte 2 jaar aan een economisch plan wat niet zo slecht was, maar op het einde toch faalde.

De barsten worden groter
Etnische spanningen werden steeds sterker en sterker en zouden leiden tot de val van JoegoslaviŽ. De groeiende spanning in Kosova, het nationalistische memorandum van de Servische Academie voor Kunst en Wetenschappen, het opkomen van Slobodan Milosovic als leider van ServiŽ, en alles wat dat met zich meebracht lokte zeer negatieve reacties uit in KroatiŽ. De vijftig jaar oude barst begon weer te kraken en de Kroaten begonnen hun eigenheid en hun afkeer van Belgrado openlijk te uiten.

Op 17 oktober 1989 hield de rockgroep Prljavo Kazaliöte een concert in Zagreb, op het centrale plein, voor meer dan 250000 toeschouwers. In een van hun liederen 'Mojoj majci' (Aan mijn moeder) noemde de tekstschrijver deze moeder 'the last rose of Croatia' (de laatste roos van KroatiŽ). Deze tekst raakte de aanwezigen diep in hun hart en versterkte bij velen hun nationale gevoelens.

In 1990, op het 14-de congres van de Liga van Communisten van Joegoslavie, drong de delegatie van ServiŽ - aangevoerd door Miloseic - aan op het terug invoeren van de grondwet van voor 1974. Deze grondwet zou dan terug het princiepe van 1 persoon 1 stem invoeren en zo alle macht terug bij de ServiŽrs brengen (de grootste republiek van Joegoslavie). Dit voorstel zorgde ervoor dat de Sloveense en Kroatische delegatie het congres verlieten. De barst werd weerom een stukje groter.

(deel 2)




vandaag 18-11-17, laatst aangepast op 06-12-15.